scripture.how 성경필사
KO

Copywork

Dutch 1917 열왕기상 2장

성경필사는 빠르게 끝내는 입력 훈련이 아니라, 한 절씩 말씀의 문장과 흐름을 다시 붙드는 시간입니다. 입력 내용은 이 브라우저에 임시 저장되며, 로그인하면 계정에도 저장됩니다.

KO 한국어
ZH 중국어
JA 일본어
HI 힌디어
BN 벵골어
TA 타밀어
TE 텔루구어
ML 말라얄람어
FA 페르시아어
MY 버마어
NE 네팔어
MR 마라티어
KN 칸나다어
HA 하우사어
YO 요루바어
SW 스와힐리어
IG 이그보어
ID 인도네시아어
TSI
PT 포르투갈어
VI 베트남어
AR 아랍어
AVD
RU 러시아어
UK 우크라이나어
RO 루마니아어
BTF
IT 이탈리아어
FI 핀란드어
TO 통가어
HR 크로아티아어
SR 세르비아어
TR 튀르키예어
HU 헝가리어
PL 폴란드어
SK 슬로바키아어
LA 라틴어
NL 네덜란드어
CS 체코어
FR 프랑스어
ES 스페인어
DE 독일어
ETC 기타 언어

소제목 단위로 진행 · 열왕기상

1:1-4 David in His Old Age and Abishag the Shunammite 1:5-10 Adonijah Sets Himself Up as King 1:11-27 The Counsel of Nathan and Bathsheba 1:28-40 David Commands That Solomon Be Made King 1:41-53 Adonijah Flees in Fear and Grasps the Horns of the Altar 2:1-12 David's Last Charge to Solomon 2:13-25 Adonijah Seeks Abishag and Is Put to Death 2:26-35 Abiathar Banished and Joab Executed 2:36-46 The End of Shimei Who Broke His Oath 3:1-3 Solomon Marries Pharaoh's Daughter 3:4-15 Solomon Asks for Wisdom at Gibeon 3:16-28 Solomon's Wise Judgment Between Two Women 4:1-19 Solomon's Officials and Governors 4:20-28 The Prosperity of Solomon's Kingdom 4:29-34 Solomon's Wisdom Renowned Throughout the World 5:1-12 The Agreement with Hiram to Build the Temple 5:13-18 Laborers and Forced Labor for the Temple Work 6:1-10 Solomon Begins to Build the Temple 6:11-13 The Word of the LORD Promising Blessing for Obedience 6:14-38 The Interior of the Temple and the Most Holy Place 7:1-12 The Building of Solomon's Palace 7:13-22 The Two Pillars Made by Hiram the Bronzeworker 7:23-39 The Bronze Sea and the Stands 7:40-51 The Furnishings of the Temple Completed 8:1-11 The Ark Brought into the Temple 8:12-21 Solomon Blesses the LORD Before the People 8:22-53 Solomon's Prayer of Dedication 8:54-61 Blessing and Exhortation to the Assembly 8:62-66 The Dedication Sacrifices and the Feast 9:1-9 The LORD Appears to Solomon Again 9:10-28 The Cities Given to Hiram and Solomon's Works 10:1-13 The Queen of Sheba Visits Solomon 10:14-29 Solomon's Wealth and Splendor 11:1-13 Foreign Wives Turn Solomon's Heart Away 11:14-25 Hadad and Rezon, Adversaries of Solomon 11:26-40 Ahijah's Prophecy to Jeroboam 11:41-43 Solomon Dies and Rehoboam Succeeds Him 12:1-15 Rehoboam's Foolish Answer 12:16-24 The Northern Tribes Forsake Rehoboam 12:25-33 Jeroboam Sets Up Golden Calves 13:1-10 The Man of God's Prophecy Against the Altar at Bethel 13:11-32 Deceived by the Old Prophet and Killed by a Lion 13:33-34 Jeroboam Does Not Turn from His Sin 14:1-18 Ahijah Prophesies the Downfall of Jeroboam's House 14:19-20 The Death of Jeroboam 14:21-31 The Wicked Reign of Rehoboam, King of Judah 15:1-8 The Reign of Abijam, King of Judah 15:9-24 The Reforms and Reign of Asa, King of Judah 15:25-34 Nadab of Israel Falls to Baasha 16:1-7 Jehu Pronounces Judgment on the House of Baasha 16:8-20 The Short Reigns of Elah and Zimri 16:21-28 Omri Makes Samaria the Capital 16:29-34 The Accession of Ahab, Who Did Evil 17:1-7 Elijah and the Drought; Fed by Ravens 17:8-16 The Widow of Zarephath's Endless Provision 17:17-24 Elijah Raises the Widow's Son 18:1-19 Elijah Meets Obadiah and Ahab 18:20-40 The Contest on Mount Carmel and the LORD Answers by Fire 18:41-46 Rain Comes Through Elijah's Prayer 19:1-9 Elijah Flees to Mount Horeb 19:10-18 God Comes in a Still Small Voice 19:19-21 The Call of Elisha 20:1-12 Ben-hadad Besieges Samaria 20:13-21 The First Victory over Aram 20:22-34 The Second Victory at Aphek 20:35-43 Ahab Rebuked for Releasing Ben-hadad 21:1-16 Naboth's Vineyard and Jezebel's Plot 21:17-29 Elijah Pronounces the Ruin of Ahab 22:1-12 Jehoshaphat Allies with Ahab 22:13-28 The Prophecy of Micaiah the True Prophet 22:29-40 Ahab Falls in Battle at Ramoth-gilead 22:41-50 The Reign of Jehoshaphat, King of Judah 22:51-53 The Wickedness of Ahaziah, King of Israel
2:1
대기

Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende:

2:2
대기

Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.

2:3
대기

En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;

2:4
대기

Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israels.

2:5
대기

Zo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israel, Abner, den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jether, dien hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.

2:6
대기

Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.

2:7
대기

Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.

2:8
대기

En zie, bij u is Simei, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, ten dage als ik ging naar Mahanaim; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!

2:9
대기

Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.

2:10
대기

En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.

2:11
대기

De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israel, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.

2:12
대기

En Salomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.

2:13
대기

Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, tot Bathseba, de moeder van Salomo; en zij zeide: Is uw komst vrede? En hij zeide: Vrede.

2:14
대기

Daarna zeide hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek.

2:15
대기

Hij zeide dan: Gij weet, dat het koninkrijk mijn was, en het ganse Israel zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is; want het is van den HEERE hem geworden.

2:16
대기

En nu begeer ik van u een enige begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek.

2:17
대기

En hij zeide: Spreek toch tot den koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, ter vrouwe geve.

2:18
대기

En Bathseba zeide: Het is goed, ik zal den koning voor u aanspreken.

2:19
대기

Zo kwam Bathseba tot den koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder des konings zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.

2:20
대기

Toen zeide zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zeide tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.

2:21
대기

En zij zeide: Laat Abisag, de Sunamietische, aan Adonia, uw broeder, ter vrouwe gegeven worden.

2:22
대기

Toen antwoordde de koning Salomo, en zeide tot zijn moeder: En waarom begeert gij Abisag, de Sunamietische, voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broeder, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, den priester, en voor Joab, den zoon van Zeruja.

2:23
대기

En de koning Salomo zwoer bij den HEERE, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adonia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben!

2:24
대기

En nu, zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden!

2:25
대기

En de koning Salomo zond door de hand van Benaja, den zoon van Jojada; die viel op hem aan, dat hij stierf.

2:26
대기

En tot Abjathar, den priester, zeide de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want gij zijt een man des doods; maar op dezen dag zal ik u niet doden, omdat gij de ark des Heeren HEEREN voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was.

2:27
대기

Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij des HEEREN priester niet ware, om te vervullen het woord des HEEREN, hetwelk Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.

2:28
대기

Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent des HEEREN, en vatte de hoornen des altaars.

2:29
대기

En het werd den koning Salomo aangezegd, dat Joab tot de tent des HEEREN gevloden was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, den zoon van Jojada, zeggende: Ga heen, val op hem aan.

2:30
대기

En Benaja kwam tot de tent des HEEREN, en zeide tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven! En Benaja bracht het antwoord weder aan den koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.

2:31
대기

En de koning zeide tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat gij wegdoet, van mij en van mijns vaders huis, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.

2:32
대기

Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israel, en Amasa, den zoon van Jether, den krijgsoverste van Juda.

2:33
대기

Alzo zal hun bloed wederkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van den HEERE tot in eeuwigheid.

2:34
대기

En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.

2:35
대기

En de koning zette Benaja, den zoon van Jojada, in zijn plaats over het heir; en Zadok, den priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.

2:36
대기

Daarna zond de koning, en riep Simei, en zeide tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon aldaar; en ga van daar niet uit herwaarts of derwaarts.

2:37
대기

Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.

2:38
대기

En Simei zeide tot den koning: Dat woord is goed; gelijk als mijn heer de koning gesproken heeft, alzo zal uw knecht doen. En Simei woonde te Jeruzalem vele dagen.

2:39
대기

Doch het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simei wegliepen tot Achis, den zoon van Maacha, den koning van Gath; en men gaf het Simei te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.

2:40
대기

Toen maakte zich Simei op, en zadelde zijn ezel, en toog heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo toog Simei heen, en bracht zijn knechten van Gath.

2:41
대기

En het werd Salomo aangezegd, dat Simei uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wedergekomen was.

2:42
대기

Toen zond de koning, en riep Simei, en zeide tot hem: Heb ik u niet beedigd bij den HEERE, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.

2:43
대기

Waarom dan hebt gij den eed des HEEREN niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had?

2:44
대기

Verder zeide de koning tot Simei: Gij weet al de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren.

2:45
대기

Maar de koning Salomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht des HEEREN tot in eeuwigheid.

2:46
대기

En de koning gebood Benaja, den zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Alzo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo.