scripture.how Bible Copywork
EN

Copywork

Dutch 1917 2 Samuel 3장

Copywork is not a speed-typing drill but time to re-hold the words and flow of Scripture, one verse at a time. Your input is saved temporarily in this browser, and to your account when you are signed in.

KO Korean
ZH Chinese
JA Japanese
HI Hindi
BN Bengali
TA Tamil
TE Telugu
ML Malayalam
FA Persian
MY Burmese
NE Nepali
MR Marathi
KN Kannada
HA Hausa
YO Yoruba
SW Swahili
IG Igbo
ID Indonesian
TSI
PT Portuguese
VI Vietnamese
AR Arabic
AVD
RU Russian
UK Ukrainian
RO Romanian
BTF
IT Italian
FI Finnish
TO Tongan
HR Croatian
SR Serbian
TR Turkish
HU Hungarian
PL Polish
SK Slovak
LA Latin
NL Dutch
CS Czech
FR French
ES Spanish
DE German
ETC Other languages

Practice by section · 2 Samuel

1:1-16 David Hears of Saul's Death 1:17-27 David's Lament for Saul and Jonathan 2:1-7 David Anointed King of Judah 2:8-11 Ish-bosheth Made King of Israel 2:12-32 The Battle at the Pool of Gibeon and the Death of Asahel 3:1-5 The Long War Between the Houses of David and Saul 3:6-21 Abner Goes Over to David 3:22-30 Joab Kills Abner 3:31-39 David Mourns the Death of Abner 4:1-8 Ish-bosheth Is Murdered 4:9-12 David Executes the Murderers 5:1-5 David Made King of All Israel 5:6-16 Jerusalem Captured as the City of David 5:17-25 David Defeats the Philistines Twice 6:1-11 Uzzah Dies While Moving the Ark 6:12-23 David Dances as the Ark Enters Jerusalem 7:1-17 God Forbids the Temple but Promises a House 7:18-29 David's Prayer in Response to the Covenant 8:1-18 David's Conquests and Reign 9:1-13 David Shows Kindness to Mephibosheth 10:1-19 The War Against the Ammonites and Arameans 11:1-13 David Sins with Bathsheba 11:14-27 Uriah Sent to His Death 12:1-14 Nathan's Rebuke and David's Repentance 12:15-25 The Death of the Child and the Birth of Solomon 12:26-31 The Capture of Rabbah 13:1-22 Amnon Violates Tamar 13:23-39 Absalom Kills Amnon and Flees 14:1-20 Joab Sends the Woman of Tekoa 14:21-33 Absalom Returns to Jerusalem 15:1-12 Absalom Steals the People's Hearts and Rebels 15:13-37 David Flees from Jerusalem 16:1-14 David Meets Ziba and Shimei 16:15-23 Ahithophel's Counsel and Absalom's Deeds 17:1-14 Hushai Defeats Ahithophel's Counsel 17:15-29 Warning Brought to David and His Escape 18:1-18 Absalom's Army Is Defeated 18:19-33 David Is Told of Absalom's Death 19:1-8 Joab Rebukes David's Grief 19:9-30 David Returns to Jerusalem 19:31-43 Farewell to Barzillai and Strife Among the Tribes 20:1-13 The Rebellion of Sheba 20:14-26 The End of Sheba and David's Officials 21:1-14 Famine and the Gibeonites' Revenge 21:15-22 Battles with the Philistine Giants 22:1-51 David's Song of Thanksgiving 23:1-7 The Last Words of David 23:8-39 David's Mighty Men 24:1-17 David's Census and Its Punishment 24:18-25 David Builds an Altar at the Threshing Floor of Araunah
3:1
Waiting

En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Doch David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker.

3:2
Waiting

En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische;

3:3
Waiting

En zijn tweede was Chileab, van Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;

3:4
Waiting

En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;

3:5
Waiting

En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dezen zijn David geboren te Hebron.

3:6
Waiting

Terwijl die krijg was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo geschiedde het, dat Abner zich sterkte in het huis van Saul.

3:7
Waiting

Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, dochter van Aja; en Isboseth zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vaders bijwijf?

3:8
Waiting

Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broederen en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid ener vrouw?

3:9
Waiting

God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, gelijk als de HEERE aan David gezworen heeft, dat ik even alzo aan hem zal doen.

3:10
Waiting

Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende den stoel van David over Israel en over Juda, van Dan tot Ber-seba toe.

3:11
Waiting

En hij kon Abner verder niet een woord antwoorden, omdat hij hem vreesde.

3:12
Waiting

Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is het land? zeggende wijders: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om gans Israel tot u om te keren.

3:13
Waiting

En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met u maken; doch een ding begeer ik van u, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als gij komt om mijn aangezicht te zien.

3:14
Waiting

Ook zond David boden tot Isboseth, den zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb.

3:15
Waiting

Isboseth dan zond heen, en nam haar van den man, van Paltiel, den zoon van Lais.

3:16
Waiting

En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder. En hij keerde weder.

3:17
Waiting

Abner nu had woorden met de oudsten van Israel, zeggende: Gij hebt David te voren lang tot een koning over u begeerd.

3:18
Waiting

Zo doet het nu; want de HEERE heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israel verlossen van de hand der Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden.

3:19
Waiting

En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Voorts ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israel, en in de ogen van het ganse huis van Benjamin.

3:20
Waiting

En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en den mannen, die met hem waren, een maaltijd.

3:21
Waiting

Toen zeide Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en vergaderen gans Israel tot mijn heer, den koning, dat zij een verbond met u maken, en gij regeert over alles, wat uw ziel begeert. Alzo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.

3:22
Waiting

En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een bende, en brachten met zich een groten roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede.

3:23
Waiting

Als nu Joab en het ganse heir, dat met hem was, aankwamen, zo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is gekomen tot den koning, en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede.

3:24
Waiting

Toen ging Joab tot den koning in, en zeide: Wat hebt gij gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen; waarom nu hebt gij hem laten gaan, dat hij zo vrij is weggegaan?

3:25
Waiting

Gij kent Abner, den zoon van Ner; dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uw uitgang en uw ingang, ja, om te weten alles, wat gij doet.

3:26
Waiting

En Joab ging uit van David, en zond Abner boden na, die hem wederom haalden van den bornput van Sira; maar David wist het niet.

3:27
Waiting

Als nu Abner weder te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden der poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde rib, dat hij stierf, om des bloeds wil van zijn broeder Asahel.

3:28
Waiting

Als David dat daarna hoorde, zo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij den HEERE, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, den zoon van Ner.

3:29
Waiting

Het blijve op het hoofd van Joab, en op het ganse huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan den stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe!

3:30
Waiting

Alzo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broeder Asahel te Gibeon in den strijd gedood had.

3:31
Waiting

David dan zeide tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uw klederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de koning David ging achter de baar.

3:32
Waiting

Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al het volk.

3:33
Waiting

En de koning maakte een klage over Abner, en zeide: Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft?

3:34
Waiting

Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem.

3:35
Waiting

Daarna kwam al het volk, om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zo, en doe er zo toe, indien ik voor het ondergaan der zon brood of iets smake!

3:36
Waiting

Als al het volk dit vernam, zo was het goed in hun ogen, alles, zoals de koning gedaan had, was goed in de ogen van het ganse volk.

3:37
Waiting

En al het volk en gans Israel merkten te dienzelven dage, dat het van den koning niet was, dat men Abner, den zoon van Ner, gedood had.

3:38
Waiting

Voorts zeide de koning tot zijn knechten: Weet gij niet, dat te dezen dage een vorst, ja, een grote in Israel gevallen is?

3:39
Waiting

Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; de HEERE zal den boosdoener vergelden naar zijn boosheid.