scripture.how Bible Copywork
EN

Copywork

Dutch 1917 Genesis 32장

Copywork is not a speed-typing drill but time to re-hold the words and flow of Scripture, one verse at a time. Your input is saved temporarily in this browser, and to your account when you are signed in.

KO Korean
ZH Chinese
JA Japanese
HI Hindi
BN Bengali
TA Tamil
TE Telugu
ML Malayalam
FA Persian
MY Burmese
NE Nepali
MR Marathi
KN Kannada
HA Hausa
YO Yoruba
SW Swahili
IG Igbo
ID Indonesian
TSI
PT Portuguese
VI Vietnamese
AR Arabic
AVD
RU Russian
UK Ukrainian
RO Romanian
BTF
IT Italian
FI Finnish
TO Tongan
HR Croatian
SR Serbian
TR Turkish
HU Hungarian
PL Polish
SK Slovak
LA Latin
NL Dutch
CS Czech
FR French
ES Spanish
DE German
ETC Other languages

Practice by section · Genesis

1:1 God Creates the Heavens and the Earth 1:2-5 The First Day: Light Separated from Darkness 1:6-8 The Second Day: The Expanse Made 1:9-13 The Third Day: Land, Sea, and Vegetation 1:14-19 The Fourth Day: The Sun, Moon, and Stars 1:20-23 The Fifth Day: Fish and Birds 1:24-31 The Sixth Day: Animals and Mankind 2:1-3 The Seventh Day: God Rests 2:4-17 Man Placed in the Garden of Eden 2:18-25 The Making of Woman, a Helper 3:1-7 The Serpent's Temptation and the Fall 3:8-19 Judgment Pronounced for Sin 3:20-24 Driven Out of the Garden 4:1-16 Cain Kills Abel 4:17-24 The Descendants of Cain 4:25-26 The Birth of Seth and Enosh 5:1-32 From Adam to Noah 6:1-8 The Wickedness of Mankind 6:9-22 The Command to Build the Ark 7:1-10 Noah Enters the Ark 7:11-24 The Flood Covers the Earth 8:1-14 The Waters Recede 8:15-22 Noah's Sacrifice After the Ark 9:1-17 God's Covenant with Noah 9:18-29 Noah's Failure and His Sons 10:1-32 The Genealogy of Noah's Sons 11:1-9 The Tower of Babel and the Confusion of Languages 11:10-32 From Shem to Terah 12:1-9 God Calls Abram 12:10-20 Abram Goes Down to Egypt 13:1-18 Abram and Lot Separate 14:1-16 Abram Rescues Lot 14:17-24 The Blessing of Melchizedek 15:1-21 God's Covenant with Abram 16:1-16 Hagar and Ishmael 17:1-27 The Covenant of Circumcision and a New Name 18:1-15 The Three Visitors and the Promised Son 18:16-33 Abraham Pleads for Sodom 19:1-29 The Destruction of Sodom and Gomorrah 19:30-38 Lot and His Two Daughters 20:1-18 Abraham and Abimelech 21:1-7 The Birth of Isaac 21:8-21 Hagar and Ishmael Sent Away 21:22-34 The Covenant with Abimelech 22:1-19 Abraham Offers Isaac 22:20-24 The Sons of Nahor 23:1-20 The Death and Burial of Sarah 24:1-27 A Servant Seeks a Bride for Isaac 24:28-67 Rebekah Is Brought Back 25:1-18 Abraham's Final Days and Descendants 25:19-26 The Birth of Esau and Jacob 25:27-34 Esau Sells His Birthright 26:1-11 Isaac Stays in Gerar 26:12-22 Disputes Over the Wells 26:23-35 The Covenant with Abimelech 27:1-29 Jacob Steals the Blessing 27:30-46 Esau's Anger and Jacob's Flight 28:1-22 Jacob's Dream of the Ladder at Bethel 29:1-14 Jacob Meets Rachel 29:15-30 Jacob Gains Two Wives 29:31-35 Jacob's Sons Are Born 30:1-24 More Children Are Born 30:25-43 Jacob's Flocks Increase 31:1-21 Jacob Leaves Laban 31:22-55 The Covenant Between Laban and Jacob 32:1-21 Jacob Prepares to Meet Esau 32:22-32 Jacob Wrestles with God 33:1-20 Jacob and Esau Reconciled 34:1-31 The Defiling of Dinah and Revenge on Shechem 35:1-15 Jacob Returns to Bethel 35:16-29 The Deaths of Rachel and Isaac 36:1-43 The Descendants of Esau and the Chiefs of Edom 37:1-11 Joseph's Dreams and His Brothers' Envy 37:12-36 Joseph Sold into Egypt 38:1-30 Judah and Tamar 39:1-6 Joseph Prospers in Potiphar's House 39:7-23 Joseph Falsely Accused and Imprisoned 40:1-23 Joseph Interprets Dreams in Prison 41:1-36 Joseph Interprets Pharaoh's Dreams 41:37-57 Joseph Becomes Ruler of Egypt 42:1-38 Joseph's Brothers Come to Buy Grain 43:1-34 The Brothers Bring Benjamin Down 44:1-34 The Silver Cup and the Brothers' Test 45:1-28 Joseph Makes Himself Known to His Brothers 46:1-34 Jacob's Family Goes Down to Egypt 47:1-12 Israel Settles in Goshen 47:13-26 Joseph's Policy During the Famine 47:27-31 Jacob's Final Request 48:1-22 Jacob Blesses Ephraim and Manasseh 49:1-28 Jacob Blesses His Sons 49:29-33 The Death and Last Words of Jacob 50:1-14 The Burial of Jacob 50:15-21 Joseph Forgives His Brothers 50:22-26 The Death of Joseph and the Promise
32:1
Waiting

Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.

32:2
Waiting

En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.

32:3
Waiting

En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.

32:4
Waiting

En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;

32:5
Waiting

En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.

32:6
Waiting

En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.

32:7
Waiting

Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;

32:8
Waiting

Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.

32:9
Waiting

Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!

32:10
Waiting

Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!

32:11
Waiting

Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!

32:12
Waiting

Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!

32:13
Waiting

En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;

32:14
Waiting

Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;

32:15
Waiting

Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.

32:16
Waiting

En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.

32:17
Waiting

En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?

32:18
Waiting

Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!

32:19
Waiting

En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.

32:20
Waiting

En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.

32:21
Waiting

Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.

32:22
Waiting

En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.

32:23
Waiting

En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.

32:24
Waiting

Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.

32:25
Waiting

En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.

32:26
Waiting

En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.

32:27
Waiting

En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.

32:28
Waiting

Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.

32:29
Waiting

En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.

32:30
Waiting

En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.

32:31
Waiting

En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

32:32
Waiting

Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.