scripture.how Bible Copywork
EN

Copywork

Dutch 1917 Judges 2장

Copywork is not a speed-typing drill but time to re-hold the words and flow of Scripture, one verse at a time. Your input is saved temporarily in this browser, and to your account when you are signed in.

KO Korean
ZH Chinese
JA Japanese
HI Hindi
BN Bengali
TA Tamil
TE Telugu
ML Malayalam
FA Persian
MY Burmese
NE Nepali
MR Marathi
KN Kannada
HA Hausa
YO Yoruba
SW Swahili
IG Igbo
ID Indonesian
TSI
PT Portuguese
VI Vietnamese
AR Arabic
AVD
RU Russian
UK Ukrainian
RO Romanian
BTF
IT Italian
FI Finnish
TO Tongan
HR Croatian
SR Serbian
TR Turkish
HU Hungarian
PL Polish
SK Slovak
LA Latin
NL Dutch
CS Czech
FR French
ES Spanish
DE German
ETC Other languages

Practice by section · Judges

1:1-21 Judah and Simeon Conquer After the Death of Joshua 1:22-36 The Canaanites the House of Joseph and Other Tribes Failed to Drive Out 2:1-5 The Angel of the LORD Rebukes at Bochim 2:6-15 The People Forsake the LORD After Joshua's Generation 2:16-23 The Raising of Judges and the Recurring Cycle of Apostasy 3:1-6 The Nations Left to Test Israel 3:7-11 Othniel, the First Judge, Delivers Israel 3:12-30 Ehud Kills Eglon, King of Moab 3:31 Shamgar Strikes the Philistines with an Oxgoad 4:1-10 Deborah the Prophetess Summons Barak 4:11-24 The Defeat of Sisera's Army and His Death at Jael's Hand 5:1-18 The Song of Deborah and Barak 5:19-31 The Ruin of the Enemy and the Praise of Jael 6:1-24 Midian's Oppression and the Angel Who Calls Gideon 6:25-32 Gideon Tears Down the Altar of Baal and Is Called Jerubbaal 6:33-40 Gideon Asks for a Sign with the Fleece 7:1-8 The Army Reduced to Three Hundred Men 7:9-15 Gideon Reassured by the Dream in the Enemy Camp 7:16-25 Gideon Defeats Midian with Trumpets and Jars 8:1-21 Ephraim's Complaint and the Pursuit of Midian's Two Kings 8:22-35 Gideon Refuses Kingship and the Snare of the Ephod 9:1-21 Abimelech Kills His Brothers and Becomes King 9:22-49 The Revolt of Shechem and Abimelech's Vengeance 9:50-57 Abimelech Killed by a Millstone at Thebez 10:1-5 Tola and Jair, the Judges 10:6-18 Ammon's Oppression and Israel's Cry for Help 11:1-11 Jephthah, the Outcast, Called to Be Leader 11:12-28 Negotiations with the King of Ammon and the Dispute over Territory 11:29-40 Jephthah's Vow and the Sacrifice of His Daughter 12:1-7 The Quarrel with Ephraim and the Shibboleth Incident 12:8-15 Ibzan, Elon, and Abdon, the Judges 13:1-25 The Angel of the LORD Foretells Samson's Birth 14:1-9 Samson Desires a Woman of Timnah and Tears a Lion 14:10-20 The Riddle at the Wedding Feast and Its Betrayal 15:1-8 Samson Burns the Philistine Grain with Foxes and Torches 15:9-20 Samson Strikes a Thousand Men with the Jawbone of a Donkey 16:1-3 Samson Carries Off the Gates of Gaza 16:4-22 Delilah's Enticement and the Secret of His Strength Revealed 16:23-31 Samson's Death as He Pulls Down the Temple of Dagon 17:1-13 Micah's Idol and His Private Priest 18:1-10 The Tribe of Dan Spies Out a Place to Settle 18:11-31 The Danites Seize Micah's Idol and Priest 19:1-30 The Levite and His Concubine, the Wickedness of Gibeah 20:1-17 Israel Resolves to War Against Benjamin 20:18-48 The Battle at Gibeah and the Defeat of the Tribe of Benjamin 21:1-25 Wives Provided for Benjamin on the Brink of Extinction
2:1
Waiting

En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid.

2:2
Waiting

En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan?

2:3
Waiting

Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.

2:4
Waiting

En het geschiedde, als de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.

2:5
Waiting

Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den HEERE.

2:6
Waiting

Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.

2:7
Waiting

En het volk diende den HEERE, al de dagen van Jozua, en al de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk des HEEREN, dat Hij aan Israel gedaan had.

2:8
Waiting

Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde;

2:9
Waiting

En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Heres, op een berg van Efraim, tegen het noorden van den berg Gaas;

2:10
Waiting

En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat den HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israel gedaan had.

2:11
Waiting

Toen deden de kinderen Israels, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Baals.

2:12
Waiting

En zij verlieten den HEERE, hunner vaderen God, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten den HEERE tot toorn.

2:13
Waiting

Want zij verlieten den HEERE, en dienden den Baal en Astharoth.

2:14
Waiting

Zo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij gaf hen in de hand der rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand hunner vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden.

2:15
Waiting

Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE gezworen had; en hun was zeer bang.

2:16
Waiting

En de HEERE verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;

2:17
Waiting

Doch zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van den weg, dien hun vaders gewandeld hadden, horende de geboden des HEEREN; alzo deden zij niet.

2:18
Waiting

En wanneer de HEERE hun richteren verwekte, zo was de HEERE met den richter, en verloste hen uit de hand hunner vijanden, al de dagen des richters; want het berouwde den HEERE, huns zuchtens halve vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten.

2:19
Waiting

Maar het geschiedde met het versterven des richters, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van dezen hun harden weg.

2:20
Waiting

Daarom ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel, dat Hij zeide: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben;

2:21
Waiting

Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf;

2:22
Waiting

Opdat Ik Israel door hen verzoeke, of zij den weg des HEEREN zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.

2:23
Waiting

Alzo liet de HEERE deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastelijk uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven.