scripture.how Bible Copywork
EN

Copywork

Dutch 1917 Judges 3장

Copywork is not a speed-typing drill but time to re-hold the words and flow of Scripture, one verse at a time. Your input is saved temporarily in this browser, and to your account when you are signed in.

KO Korean
ZH Chinese
JA Japanese
HI Hindi
BN Bengali
TA Tamil
TE Telugu
ML Malayalam
FA Persian
MY Burmese
NE Nepali
MR Marathi
KN Kannada
HA Hausa
YO Yoruba
SW Swahili
IG Igbo
ID Indonesian
TSI
PT Portuguese
VI Vietnamese
AR Arabic
AVD
RU Russian
UK Ukrainian
RO Romanian
BTF
IT Italian
FI Finnish
TO Tongan
HR Croatian
SR Serbian
TR Turkish
HU Hungarian
PL Polish
SK Slovak
LA Latin
NL Dutch
CS Czech
FR French
ES Spanish
DE German
ETC Other languages

Practice by section · Judges

1:1-21 Judah and Simeon Conquer After the Death of Joshua 1:22-36 The Canaanites the House of Joseph and Other Tribes Failed to Drive Out 2:1-5 The Angel of the LORD Rebukes at Bochim 2:6-15 The People Forsake the LORD After Joshua's Generation 2:16-23 The Raising of Judges and the Recurring Cycle of Apostasy 3:1-6 The Nations Left to Test Israel 3:7-11 Othniel, the First Judge, Delivers Israel 3:12-30 Ehud Kills Eglon, King of Moab 3:31 Shamgar Strikes the Philistines with an Oxgoad 4:1-10 Deborah the Prophetess Summons Barak 4:11-24 The Defeat of Sisera's Army and His Death at Jael's Hand 5:1-18 The Song of Deborah and Barak 5:19-31 The Ruin of the Enemy and the Praise of Jael 6:1-24 Midian's Oppression and the Angel Who Calls Gideon 6:25-32 Gideon Tears Down the Altar of Baal and Is Called Jerubbaal 6:33-40 Gideon Asks for a Sign with the Fleece 7:1-8 The Army Reduced to Three Hundred Men 7:9-15 Gideon Reassured by the Dream in the Enemy Camp 7:16-25 Gideon Defeats Midian with Trumpets and Jars 8:1-21 Ephraim's Complaint and the Pursuit of Midian's Two Kings 8:22-35 Gideon Refuses Kingship and the Snare of the Ephod 9:1-21 Abimelech Kills His Brothers and Becomes King 9:22-49 The Revolt of Shechem and Abimelech's Vengeance 9:50-57 Abimelech Killed by a Millstone at Thebez 10:1-5 Tola and Jair, the Judges 10:6-18 Ammon's Oppression and Israel's Cry for Help 11:1-11 Jephthah, the Outcast, Called to Be Leader 11:12-28 Negotiations with the King of Ammon and the Dispute over Territory 11:29-40 Jephthah's Vow and the Sacrifice of His Daughter 12:1-7 The Quarrel with Ephraim and the Shibboleth Incident 12:8-15 Ibzan, Elon, and Abdon, the Judges 13:1-25 The Angel of the LORD Foretells Samson's Birth 14:1-9 Samson Desires a Woman of Timnah and Tears a Lion 14:10-20 The Riddle at the Wedding Feast and Its Betrayal 15:1-8 Samson Burns the Philistine Grain with Foxes and Torches 15:9-20 Samson Strikes a Thousand Men with the Jawbone of a Donkey 16:1-3 Samson Carries Off the Gates of Gaza 16:4-22 Delilah's Enticement and the Secret of His Strength Revealed 16:23-31 Samson's Death as He Pulls Down the Temple of Dagon 17:1-13 Micah's Idol and His Private Priest 18:1-10 The Tribe of Dan Spies Out a Place to Settle 18:11-31 The Danites Seize Micah's Idol and Priest 19:1-30 The Levite and His Concubine, the Wickedness of Gibeah 20:1-17 Israel Resolves to War Against Benjamin 20:18-48 The Battle at Gibeah and the Defeat of the Tribe of Benjamin 21:1-25 Wives Provided for Benjamin on the Brink of Extinction
3:1
Waiting

Dit nu zijn de heidenen, die de HEERE liet blijven, om door hen Israel te verzoeken, allen, die niet wisten van al de krijgen van Kanaan;

3:2
Waiting

Alleenlijk, opdat de geslachten der kinderen Israels die wisten, opdat Hij hun den krijg leerde, tenminste dengenen, die daar te voren niet van wisten.

3:3
Waiting

Vijf vorsten der Filistijnen, en al de Kanaanieten, en de Sidoniers, en de Hevieten, wonende in het gebergte van den Libanon, van den berg Baal-Hermon, tot daar men komt te Hamath.

3:4
Waiting

Dezen dan waren, om Israel door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden des HEEREN zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had.

3:5
Waiting

Als nu de kinderen Israels woonden in het midden der Kanaanieten, der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten;

3:6
Waiting

Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen; en zij dienden derzelver goden.

3:7
Waiting

En de kinderen Israels deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten den HEERE, hun God, en zij dienden de Baals en de bossen.

3:8
Waiting

Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamie; en de kinderen Israels dienden Cuschan Rischataim acht jaren.

3:9
Waiting

Zo riepen de kinderen Israels tot den HEERE; en de HEERE verwekte den kinderen Israels een verlosser, die hen verloste, Othniel, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij.

3:10
Waiting

En de Geest des HEEREN was over hem, en hij richtte Israel, en toog uit ten strijde; en de HEERE gaf Cuschan Rischataim, den koning van Syrie, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.

3:11
Waiting

Toen was het land veertig jaren stil, en Othniel, de zoon van Kenaz, stierf.

3:12
Waiting

Maar de kinderen Israels voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; toen sterkte de HEERE Eglon, den koning der Moabieten, tegen Israel, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.

3:13
Waiting

En hij vergaderde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij toog heen, en sloeg Israel, en zij namen de Palmstad in bezit.

3:14
Waiting

En de kinderen Israels dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren.

3:15
Waiting

Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen Israels zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten.

3:16
Waiting

En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup.

3:17
Waiting

En hij bracht aan Eglon, den koning der Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man.

3:18
Waiting

En het geschiedde, als hij geeindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden;

3:19
Waiting

Maar hij zelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.

3:20
Waiting

En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u. Toen stond hij op van den stoel.

3:21
Waiting

Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik;

3:22
Waiting

Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de drek uitging.

3:23
Waiting

Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot.

3:24
Waiting

Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer.

3:25
Waiting

Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open; en ziet, hunlieder heer lag ter aarde dood.

3:26
Waiting

En Ehud ontkwam, terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehirath.

3:27
Waiting

En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraim; en de kinderen Israels togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.

3:28
Waiting

En hij zeide tot hen: Volgt mij na; want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veren van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan.

3:29
Waiting

En zij sloegen de Moabieten te dier tijd, omtrent tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam.

3:30
Waiting

Alzo werd Moab te dien dage onder Israels hand te ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren.

3:31
Waiting

Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook Israel.