scripture.how 聖書写経
JA

Copywork

Dutch 1917 Nehemiah 2장

写経は速く終える入力練習ではなく、一節ずつみ言葉の文と流れを改めて受け止める時間です。入力内容はこのブラウザに一時保存され、ログインするとアカウントにも保存されます。

KO 韓国語
ZH 中国語
JA 日本語
HI ヒンディー語
BN ベンガル語
TA タミル語
TE テルグ語
ML マラヤーラム語
FA ペルシア語
MY ビルマ語
NE ネパール語
MR マラーティー語
KN カンナダ語
HA ハウサ語
YO ヨルバ語
SW スワヒリ語
IG イボ語
ID インドネシア語
TSI
PT ポルトガル語
VI ベトナム語
AR アラビア語
AVD
RU ロシア語
UK ウクライナ語
RO ルーマニア語
BTF
IT イタリア語
FI フィンランド語
TO トンガ語
HR クロアチア語
SR セルビア語
TR トルコ語
HU ハンガリー語
PL ポーランド語
SK スロバキア語
LA ラテン語
NL オランダ語
CS チェコ語
FR フランス語
ES スペイン語
DE ドイツ語
ETC その他の言語

小見出し単位で進める · Nehemiah

1:1-4 Nehemiah Weeps over the News of Jerusalem 1:5-11 Nehemiah's Prayer of Confession and Petition 2:1-8 Nehemiah Asks the King to Send Him to Jerusalem 2:9-11 Nehemiah Arrives in Jerusalem 2:12-16 Nehemiah Inspects the Ruined Walls by Night 2:17-20 Resolving to Rebuild the Wall amid the Enemies' Scorn 3:1-32 Those Who Shared in Building the Gates and Walls 4:1-6 The Enemies Mock and Plot to Hinder the Work 4:7-15 Prayer and a Guard against the Conspiracy 4:16-23 Building the Wall with a Weapon in One Hand and a Tool in the Other 5:1-5 The Outcry of the People and the Evil of Usury 5:6-13 Nehemiah Rebukes the Debt and Plunder and Brings Repentance 5:14-19 Nehemiah Refuses the Governor's Allowance 6:1-9 The Enemies Try to Lure Nehemiah with a Plot 6:10-14 Discerning the Threat of the False Prophet 6:15-19 The Wall Is Completed in Fifty-Two Days 7:1-4 Appointing Those Responsible to Guard the Gates 7:5-73 The List of Those Who Returned from Captivity 8:1-8 Ezra Reads the Book of the Law before the People 8:9-12 This Day Is Holy; Do Not Mourn 8:13-18 Keeping the Feast of Tabernacles with Joy 9:1-5 The People Fast and Confess Their Sins 9:6-15 A Prayer Recounting Creation and the Exodus 9:16-31 God's Compassion in the History of the Wilderness and the Land 9:32-38 Resolving to Renew the Covenant 10:1-27 Those Who Sealed the Covenant Document 10:28-39 The Terms of the Covenant to Keep the Law 11:1-2 Choosing Those to Dwell in Jerusalem 11:3-24 The List of Leaders Who Lived in Jerusalem 11:25-36 The People Scattered among the Towns and Villages 12:1-26 The List of Priests and Levites Who Returned 12:27-43 The Dedication of the Wall of Jerusalem 12:44-47 Assignment of Duties for Temple Service 13:1-9 Separating Foreigners from the Assembly and Expelling Tobiah 13:10-14 Restoring the Portions and Tithes of the Levites 13:15-22 Commanding the Sabbath to Be Kept Holy 13:23-31 Rebuking Mixed Marriages and Completing the Reform
2:1
待機

Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht.

2:2
待機

Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer.

2:3
待機

En ik zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn?

2:4
待機

En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel.

2:5
待機

En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.

2:6
待機

Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had.

2:7
待機

Voorts zeide ik tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;

2:8
待機

Ook een brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot den stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.

2:9
待機

Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des konings. En de koning had oversten des heirs en ruiteren met mij gezonden.

2:10
待機

Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israels.

2:11
待機

En ik kwam te Jeruzalem, en was daar drie dagen.

2:12
待機

Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinig mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik reed.

2:13
待機

En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.

2:14
待機

En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des konings vijver; doch daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan.

2:15
待機

Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur; en ik keerde weder, en kwam in door de Dalpoort; alzo keerde ik wederom.

2:16
待機

En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe den Joden, en den priesteren, en den edelen, en overheden, en den anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.

2:17
待機

Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en haar poorten met vuur verbrand zijn; komt, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen; opdat wij niet meer een versmaadheid zijn.

2:18
待機

En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, Die goed over mij geweest was, als ook de woorden des konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen; en zij sterkten hun handen ten goede.

2:19
待機

Als nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zo bespotten zij ons, en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? Wilt gijlieden tegen den koning rebelleren?

2:20
待機

Toen gaf ik hun tot antwoord, en zeide tot hen: God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem.