scripture.how 성경필사
KO

Copywork

Dutch 1917 사무엘상 22장

성경필사는 빠르게 끝내는 입력 훈련이 아니라, 한 절씩 말씀의 문장과 흐름을 다시 붙드는 시간입니다. 입력 내용은 이 브라우저에 임시 저장되며, 로그인하면 계정에도 저장됩니다.

KO 한국어
ZH 중국어
JA 일본어
HI 힌디어
BN 벵골어
TA 타밀어
TE 텔루구어
ML 말라얄람어
FA 페르시아어
MY 버마어
NE 네팔어
MR 마라티어
KN 칸나다어
HA 하우사어
YO 요루바어
SW 스와힐리어
IG 이그보어
ID 인도네시아어
TSI
PT 포르투갈어
VI 베트남어
AR 아랍어
AVD
RU 러시아어
UK 우크라이나어
RO 루마니아어
BTF
IT 이탈리아어
FI 핀란드어
TO 통가어
HR 크로아티아어
SR 세르비아어
TR 튀르키예어
HU 헝가리어
PL 폴란드어
SK 슬로바키아어
LA 라틴어
NL 네덜란드어
CS 체코어
FR 프랑스어
ES 스페인어
DE 독일어
ETC 기타 언어

소제목 단위로 진행 · 사무엘상

1:1-8 Elkanah's Two Wives and Hannah's Grief 1:9-18 Hannah Prays for a Son and Makes a Vow at the Temple 1:19-28 The Birth of Samuel and His Dedication to the LORD 2:1-11 Hannah's Prayer of Thanksgiving and Song of Praise 2:12-17 The Wickedness of Eli's Two Sons 2:18-26 Samuel Grows Up Before the LORD 2:27-36 The Prophecy of Judgment Against Eli's House 3:1-14 The LORD Calls Samuel 3:15-21 Samuel Established as a Prophet 4:1-11 The Ark of God Captured by the Philistines 4:12-22 The Death of Eli and the Glory Departs 5:1-5 Dagon Falls Before the Ark 5:6-12 The Plague on the Philistine Cities 6:1-12 The Philistines Send the Ark Back 6:13-21 The Ark of God Returns to Beth Shemesh 7:1-6 The Ark at Kiriath Jearim and Israel's Repentance 7:7-14 The Philistines Defeated at Mizpah 7:15-17 Samuel Judges Israel 8:1-9 The People Demand a King 8:10-22 A Warning About the Ways of a King 9:1-14 Saul Sets Out to Find the Lost Donkeys 9:15-27 Samuel Meets Saul 10:1-8 Samuel Anoints Saul 10:9-16 Saul Is Changed and Prophesies 10:17-27 Saul Chosen as King at Mizpah 11:1-11 Saul Rescues Jabesh from the Ammonites 11:12-15 Saul's Kingship Renewed at Gilgal 12:1-5 Samuel's Farewell Address and Testimony of Innocence 12:6-25 Samuel Recounts the LORD's Grace and Exhorts the People 13:1-15 Saul Offers the Burnt Offering Unlawfully 13:16-23 Israel Without Weapons 14:1-15 Jonathan Attacks the Philistine Garrison 14:16-23 Israel Routs the Philistines 14:24-46 Saul's Oath and Jonathan in Danger 14:47-52 Saul's Wars and His Family 15:1-9 The Command to Destroy Amalek and Saul's Disobedience 15:10-23 The LORD Rejects Saul 15:24-35 Saul's Excuses and Samuel's Departure 16:1-13 Samuel Anoints David 16:14-23 The Evil Spirit on Saul and David the Harpist 17:1-11 Goliath's Challenge and the Fear of Israel 17:12-30 David Sent to the Battlefield 17:31-40 David Volunteers to Fight Goliath 17:41-54 David Strikes Down Goliath 17:55-58 David the Victor Before Saul 18:1-5 The Covenant of Jonathan and David 18:6-16 Saul Becomes Jealous of David 18:17-30 David Takes Michal as His Wife 19:1-7 Jonathan Speaks in David's Defense 19:8-17 Michal Helps David Escape 19:18-24 David Flees to Ramah and Saul Prophesies 20:1-23 The Faithful Pledge of David and Jonathan 20:24-42 Saul's Anger and Jonathan's Signal 21:1-9 David Receives the Consecrated Bread at Nob 21:10-15 David Feigns Madness Before the King of Gath 22:1-5 Those Who Gathered to David at the Cave of Adullam 22:6-19 Saul Slaughters the Priests of Nob 22:20-23 Abiathar Escapes to David 23:1-13 David Saves Keilah 23:14-29 David Pursued in the Wilderness and Jonathan's Encouragement 24:1-15 David Spares Saul in the Cave at En Gedi 24:16-22 Saul Acknowledges His Wrong 25:1-13 Nabal's Insolence and David's Anger 25:14-35 The Wise Mediation of Abigail 25:36-44 The Death of Nabal and Abigail Becomes David's Wife 26:1-12 David Again Spares Saul's Life 26:13-25 David's Rebuke and Saul's Remorse 27:1-12 David Takes Refuge in the Land of the Philistines 28:1-14 Saul Seeks Out a Medium 28:15-25 The Spirit of Samuel Pronounces Judgment 29:1-11 The Philistine Commanders Distrust David 30:1-6 The Amalekite Raid on Ziklag 30:7-20 David Pursues the Raiders 30:21 David Divides the Plunder Fairly 31:1-7 Saul and His Sons Die on Mount Gilboa 31:8-13 The Men of Jabesh Recover Saul's Body
22:1
대기

Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broeders hoorden het, en het ganse huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af.

22:2
대기

En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.

22:3
대기

En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.

22:4
대기

En hij bracht hen voor het aangezicht van den koning der Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was.

22:5
대기

Doch de profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.

22:6
대기

En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.

22:7
대기

Toen zeide Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isai u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen?

22:8
대기

Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isai; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.

22:9
대기

Toen antwoordde Doeg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isai, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub;

22:10
대기

Die den HEERE voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.

22:11
대기

Toen zond de koning heen, om den priester Achimelech, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.

22:12
대기

En Saul zeide: Hoor nu, gij, zoon van Ahitub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer!

22:13
대기

Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden samen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isai, mits dat gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is?

22:14
대기

En Achimelech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?

22:15
대기

Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het ganse huis mijns vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot.

22:16
대기

Doch de koning zeide: Achimelech, gij moet den dood sterven, gij en het ganse huis uws vaders.

22:17
대기

En de koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters des HEEREN, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Doch de knechten des konings wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters des HEEREN aan te vallen.

22:18
대기

Toen zeide de koning tot Doeg: Wend gij u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doeg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde te dien dage vijf en tachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen.

22:19
대기

Hij sloeg ook Nob, de stad dezer priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte des zwaards.

22:20
대기

Doch een der zonen van Achimelech, den zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na.

22:21
대기

En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesteren des HEEREN gedood had.

22:22
대기

Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doeg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis.

22:23
대기

Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar gij zult met mij in bewaring zijn.