scripture.how 聖書写経
JA

Copywork

Dutch 1917 GEN 14장

写経は速く終える入力練習ではなく、一節ずつみ言葉の文と流れを改めて受け止める時間です。入力内容はこのブラウザに一時保存され、ログインするとアカウントにも保存されます。

KO 韓国語
ZH 中国語
JA 日本語
HI ヒンディー語
BN ベンガル語
TA タミル語
TE テルグ語
ML マラヤーラム語
FA ペルシア語
MY ビルマ語
NE ネパール語
MR マラーティー語
KN カンナダ語
HA ハウサ語
YO ヨルバ語
SW スワヒリ語
IG イボ語
ID インドネシア語
TSI
PT ポルトガル語
VI ベトナム語
AR アラビア語
AVD
RU ロシア語
UK ウクライナ語
RO ルーマニア語
BTF
IT イタリア語
FI フィンランド語
TO トンガ語
HR クロアチア語
SR セルビア語
TR トルコ語
HU ハンガリー語
PL ポーランド語
SK スロバキア語
LA ラテン語
NL オランダ語
CS チェコ語
FR フランス語
ES スペイン語
DE ドイツ語
ETC その他の言語

小見出し単位で進める · GEN

1:1 God Creates the Heavens and the Earth 1:2-5 The First Day: Light Separated from Darkness 1:6-8 The Second Day: The Expanse Made 1:9-13 The Third Day: Land, Sea, and Vegetation 1:14-19 The Fourth Day: The Sun, Moon, and Stars 1:20-23 The Fifth Day: Fish and Birds 1:24-31 The Sixth Day: Animals and Mankind 2:1-3 The Seventh Day: God Rests 2:4-17 Man Placed in the Garden of Eden 2:18-25 The Making of Woman, a Helper 3:1-7 The Serpent's Temptation and the Fall 3:8-19 Judgment Pronounced for Sin 3:20-24 Driven Out of the Garden 4:1-16 Cain Kills Abel 4:17-24 The Descendants of Cain 4:25-26 The Birth of Seth and Enosh 5:1-32 From Adam to Noah 6:1-8 The Wickedness of Mankind 6:9-22 The Command to Build the Ark 7:1-10 Noah Enters the Ark 7:11-24 The Flood Covers the Earth 8:1-14 The Waters Recede 8:15-22 Noah's Sacrifice After the Ark 9:1-17 God's Covenant with Noah 9:18-29 Noah's Failure and His Sons 10:1-32 The Genealogy of Noah's Sons 11:1-9 The Tower of Babel and the Confusion of Languages 11:10-32 From Shem to Terah 12:1-9 God Calls Abram 12:10-20 Abram Goes Down to Egypt 13:1-18 Abram and Lot Separate 14:1-16 Abram Rescues Lot 14:17-24 The Blessing of Melchizedek 15:1-21 God's Covenant with Abram 16:1-16 Hagar and Ishmael 17:1-27 The Covenant of Circumcision and a New Name 18:1-15 The Three Visitors and the Promised Son 18:16-33 Abraham Pleads for Sodom 19:1-29 The Destruction of Sodom and Gomorrah 19:30-38 Lot and His Two Daughters 20:1-18 Abraham and Abimelech 21:1-7 The Birth of Isaac 21:8-21 Hagar and Ishmael Sent Away 21:22-34 The Covenant with Abimelech 22:1-19 Abraham Offers Isaac 22:20-24 The Sons of Nahor 23:1-20 The Death and Burial of Sarah 24:1-27 A Servant Seeks a Bride for Isaac 24:28-67 Rebekah Is Brought Back 25:1-18 Abraham's Final Days and Descendants 25:19-26 The Birth of Esau and Jacob 25:27-34 Esau Sells His Birthright 26:1-11 Isaac Stays in Gerar 26:12-22 Disputes Over the Wells 26:23-35 The Covenant with Abimelech 27:1-29 Jacob Steals the Blessing 27:30-46 Esau's Anger and Jacob's Flight 28:1-22 Jacob's Dream of the Ladder at Bethel 29:1-14 Jacob Meets Rachel 29:15-30 Jacob Gains Two Wives 29:31-35 Jacob's Sons Are Born 30:1-24 More Children Are Born 30:25-43 Jacob's Flocks Increase 31:1-21 Jacob Leaves Laban 31:22-55 The Covenant Between Laban and Jacob 32:1-21 Jacob Prepares to Meet Esau 32:22-32 Jacob Wrestles with God 33:1-20 Jacob and Esau Reconciled 34:1-31 The Defiling of Dinah and Revenge on Shechem 35:1-15 Jacob Returns to Bethel 35:16-29 The Deaths of Rachel and Isaac 36:1-43 The Descendants of Esau and the Chiefs of Edom 37:1-11 Joseph's Dreams and His Brothers' Envy 37:12-36 Joseph Sold into Egypt 38:1-30 Judah and Tamar 39:1-6 Joseph Prospers in Potiphar's House 39:7-23 Joseph Falsely Accused and Imprisoned 40:1-23 Joseph Interprets Dreams in Prison 41:1-36 Joseph Interprets Pharaoh's Dreams 41:37-57 Joseph Becomes Ruler of Egypt 42:1-38 Joseph's Brothers Come to Buy Grain 43:1-34 The Brothers Bring Benjamin Down 44:1-34 The Silver Cup and the Brothers' Test 45:1-28 Joseph Makes Himself Known to His Brothers 46:1-34 Jacob's Family Goes Down to Egypt 47:1-12 Israel Settles in Goshen 47:13-26 Joseph's Policy During the Famine 47:27-31 Jacob's Final Request 48:1-22 Jacob Blesses Ephraim and Manasseh 49:1-28 Jacob Blesses His Sons 49:29-33 The Death and Last Words of Jacob 50:1-14 The Burial of Jacob 50:15-21 Joseph Forgives His Brothers 50:22-26 The Death of Joseph and the Promise
14:1
待機

En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;

14:2
待機

Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar.

14:3
待機

Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.

14:4
待機

Twaalf jaren hadden zij Kedor-Laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.

14:5
待機

Zo kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-Karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriathaim;

14:6
待機

En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.

14:7
待機

Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-Thamar woonde.

14:8
待機

Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,

14:9
待機

Tegen Kedor-Laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.

14:10
待機

Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.

14:11
待機

En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg.

14:12
待機

Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.

14:13
待機

Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreer, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.

14:14
待機

Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.

14:15
待機

En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.

14:16
待機

En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.

14:17
待機

En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.

14:18
待機

En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.

14:19
待機

En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!

14:20
待機

En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.

14:21
待機

En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.

14:22
待機

Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit;

14:23
待機

Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!

14:24
待機

Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!