scripture.how 성경필사
KO

Copywork

Dutch 1917 출애굽기 12장

성경필사는 빠르게 끝내는 입력 훈련이 아니라, 한 절씩 말씀의 문장과 흐름을 다시 붙드는 시간입니다. 입력 내용은 이 브라우저에 임시 저장되며, 로그인하면 계정에도 저장됩니다.

KO 한국어
ZH 중국어
JA 일본어
HI 힌디어
BN 벵골어
TA 타밀어
TE 텔루구어
ML 말라얄람어
FA 페르시아어
MY 버마어
NE 네팔어
MR 마라티어
KN 칸나다어
HA 하우사어
YO 요루바어
SW 스와힐리어
IG 이그보어
ID 인도네시아어
TSI
PT 포르투갈어
VI 베트남어
AR 아랍어
AVD
RU 러시아어
UK 우크라이나어
RO 루마니아어
BTF
IT 이탈리아어
FI 핀란드어
TO 통가어
HR 크로아티아어
SR 세르비아어
TR 튀르키예어
HU 헝가리어
PL 폴란드어
SK 슬로바키아어
LA 라틴어
NL 네덜란드어
CS 체코어
FR 프랑스어
ES 스페인어
DE 독일어
ETC 기타 언어

소제목 단위로 진행 · 출애굽기

1:1-7 Israel Multiplies in Egypt 1:8-14 A New Pharaoh Oppresses Israel 1:15-22 The Hebrew Midwives Fear God 2:1-10 The Child in the Basket of Reeds 2:11-22 Moses Flees to Midian 2:23-25 God Hears Israel's Groaning 3:1-10 In the Midst of the Burning Bush 3:11-22 The Name I AM WHO I AM 4:1-9 Three Signs Given to Moses 4:10-17 Moses Pleads He Is Slow of Speech 4:18-23 Moses Returns to Egypt 4:24-26 The LORD Meets Moses on the Way and Circumcision 4:27-31 Moses and Aaron Meet the People 5:1-9 Moses and Aaron Before Pharaoh 5:10-21 The Burden of Labor Made Heavier 5:22-23 Moses' Lament and Complaint 6:1-13 The Promise of the Covenant to Deliver 6:14-27 The Genealogy of Moses and Aaron 6:28-30 Sent Again to Pharaoh 7:1-7 Divine Authority Before Pharaoh 7:8-13 Aaron's Staff Becomes a Serpent 7:14-25 The Plague of the Nile Turned to Blood 8:1-15 The Plague of Frogs Covers the Land 8:16-19 The Plague of Gnats from the Dust 8:20-32 The Plague of Flies and the Distinction 9:1-7 The Plague on the Livestock 9:8-12 The Plague of Boils 9:13-35 The Plague of Hail and Fire 10:1-11 The Warning of the Plague of Locusts 10:12-20 The Locusts Cover the Land 10:21-29 The Plague of Darkness That Can Be Felt 11:1-10 The Final Plague Foretold 12:1-20 The Passover Instituted 12:21-28 The Blood of the Lamb on the Doorposts 12:29-42 The Death of Egypt's Firstborn and the Departure 12:43-51 Regulations for Those Who Keep the Passover 13:1-16 Consecrate the Firstborn 13:17-22 Guidance by the Pillar of Cloud and Fire 14:1-14 Encamped Before the Red Sea 14:15-31 Crossing the Divided Sea 15:1-21 The Song After Crossing the Sea 15:22-27 Bitter Water Made Sweet at Marah 16:1-21 Manna and Quail from Heaven 16:22-36 Provision for the Sabbath 17:1-7 Water from the Rock 17:8-16 Victory in Battle Against Amalek 18:1-12 Jethro Visits Moses 18:13-27 Advice to Delegate Judgment 19:1-15 The Covenant Proposed at Mount Sinai 19:16-25 The LORD Descends in Smoke and Fire 20:1-17 The Ten Commandments 20:18-21 The People Stand Far Off in Fear 20:22-26 The Law of the Altar of Earth 21:1-11 Laws Concerning Hebrew Servants 21:12-27 Laws Concerning Violence and Murder 21:28-36 Restitution for an Ox That Gores 22:1-15 Restitution for Theft and Property Damage 22:16-31 Laws Protecting the Vulnerable 23:1-9 Laws of Justice and Truthfulness 23:10-19 The Sabbath Year and the Three Festivals 23:20-33 The Promise to Send an Angel 24:1-11 The Covenant Confirmed with Blood 24:12-18 The Glory of Sinai Wrapped in Cloud 25:1-9 Offerings for the Sanctuary 25:10-22 Making the Ark of the Testimony 25:23-30 The Table for the Bread of the Presence 25:31-40 The Pattern of the Pure Gold Lampstand 26:1-14 The Curtains and Coverings of the Tabernacle 26:15-30 The Frames and Bases of the Tabernacle 26:31-37 The Veil Dividing the Holy Place and the Most Holy 27:1-8 The Bronze Altar of Burnt Offering 27:9-19 The Structure of the Tabernacle Court 27:20-21 The Olive Oil for the Lamp 28:1-14 The Holy Garments for the Priests 28:15-30 The Making of the Breastpiece of Judgment 28:31-43 The Robe of the Ephod and Its Accessories 29:1-37 The Ceremony for Ordaining the Priests 29:38-46 The Daily Continual Burnt Offering 30:1-10 Making the Altar of Incense 30:11-16 The Ransom of Life and the Census 30:17-21 The Bronze Basin for Washing 30:22-38 The Holy Anointing Oil and Incense 31:1-11 The Spirit Upon the Tabernacle Craftsmen 31:12-18 The Sabbath as an Everlasting Sign 32:1-6 The People Make the Golden Calf 32:7-14 Moses Intercedes for the People 32:15-29 Coming Down the Mountain in Wrath 32:30-35 Moses Seeks Atonement 33:1-6 The Word That He Will Not Go With Them 33:7-11 The Tent of Meeting Outside the Camp and Intimate Encounter 33:12-23 The Plea to See the LORD's Glory 34:1-9 Cut Two Tablets Again 34:10-28 The Covenant Renewed 34:29-35 The Veil Over the Shining Face 35:1-29 Sabbath Observance and Collecting Offerings 35:30-35 The Workers to Build the Tabernacle 36:1-7 Restraining the Overflowing Offerings 36:8-38 Making the Tabernacle Curtains and Frames 37:1-24 Making the Ark, the Table, and the Lampstand 37:25-29 Making the Altar of Incense, the Anointing Oil, and the Incense 38:1-8 Making the Altar of Burnt Offering and the Basin 38:9-20 Making the Court of the Tabernacle 38:21-31 The Accounting of Materials Used for the Tabernacle 39:1-31 Making the Priestly Garments 39:32-43 The Finished Work Brought to Moses 40:1-16 The Command to Set Up the Tabernacle 40:17-33 Setting Up the Tabernacle and Arranging Its Furnishings 40:34-38 The Glory of the LORD Fills the Tabernacle
12:1
대기

De HEERE nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende:

12:2
대기

Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.

12:3
대기

Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.

12:4
대기

Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam.

12:5
대기

Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen.

12:6
대기

En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden.

12:7
대기

En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.

12:8
대기

En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.

12:9
대기

Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.

12:10
대기

Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden.

12:11
대기

Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.

12:12
대기

Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!

12:13
대기

En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.

12:14
대기

En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.

12:15
대기

Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israel.

12:16
대기

En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden.

12:17
대기

Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.

12:18
대기

In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.

12:19
대기

Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israel uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.

12:20
대기

Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.

12:21
대기

Mozes dan riep al de oudsten van Israel, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.

12:22
대기

Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan den morgen.

12:23
대기

Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.

12:24
대기

Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid.

12:25
대기

En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden.

12:26
대기

En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst?

12:27
대기

Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.

12:28
대기

En de kinderen Israels gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij.

12:29
대기

En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.

12:30
대기

En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.

12:31
대기

Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt.

12:32
대기

Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook.

12:33
대기

En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!

12:34
대기

En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen.

12:35
대기

De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geeist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen.

12:36
대기

Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.

12:37
대기

Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.

12:38
대기

En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.

12:39
대기

En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.

12:40
대기

De tijd nu der woning, dien de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.

12:41
대기

En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.

12:42
대기

Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israels, onder hun geslachten.

12:43
대기

Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.

12:44
대기

Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten.

12:45
대기

Geen uitlander noch huurling zal er van eten.

12:46
대기

In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken.

12:47
대기

De ganse vergadering van Israel zal het doen.

12:48
대기

Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.

12:49
대기

Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.

12:50
대기

En alle kinderen Israels deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij.

12:51
대기

En het geschiedde even tenzelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israels uit Egypteland leidde, naar hun heiren.