scripture.how 聖書写経
JA

Copywork

Dutch 1917 Matthew 26장

写経は速く終える入力練習ではなく、一節ずつみ言葉の文と流れを改めて受け止める時間です。入力内容はこのブラウザに一時保存され、ログインするとアカウントにも保存されます。

KO 韓国語
ZH 中国語
JA 日本語
HI ヒンディー語
BN ベンガル語
TA タミル語
TE テルグ語
ML マラヤーラム語
FA ペルシア語
MY ビルマ語
NE ネパール語
MR マラーティー語
KN カンナダ語
HA ハウサ語
YO ヨルバ語
SW スワヒリ語
IG イボ語
ID インドネシア語
TSI
PT ポルトガル語
VI ベトナム語
AR アラビア語
AVD
RU ロシア語
UK ウクライナ語
RO ルーマニア語
BTF
IT イタリア語
FI フィンランド語
TO トンガ語
HR クロアチア語
SR セルビア語
TR トルコ語
HU ハンガリー語
PL ポーランド語
SK スロバキア語
LA ラテン語
NL オランダ語
CS チェコ語
FR フランス語
ES スペイン語
DE ドイツ語
ETC その他の言語

小見出し単位で進める · Matthew

1:1-17 The Genealogy of Jesus Christ 1:18-25 The Birth of Jesus 2:1-12 The Visit of the Magi 2:13-15 The Escape to Egypt 2:16-18 The Massacre of the Infants in Bethlehem 2:19-23 The Return from Egypt to Nazareth 3:1-12 The Witness of John the Baptist 3:13-17 The Baptism of Jesus 4:1-11 The Temptation in the Wilderness 4:12-17 Jesus Begins to Preach in Galilee 4:18-22 Jesus Calls Four Fishermen 4:23-25 Jesus Teaches and Heals 5:1-12 The Beatitudes 5:13-16 Salt and Light 5:17-20 The Fulfillment of the Law 5:21-26 Anger and Reconciliation 5:27-30 You Shall Not Commit Adultery 5:31-32 Teaching on Divorce 5:33-37 You Shall Not Swear Oaths 5:38-42 Do Not Repay Evil 5:43-48 Love Your Enemies 6:1-4 Give to the Needy in Secret 6:5-15 Teaching on Prayer 6:16-18 Teaching on Fasting 6:19-24 Store Up Treasures in Heaven 6:25-34 Do Not Be Anxious 7:1-6 Do Not Judge Others 7:7-12 Ask, Seek, Knock 7:13-14 Enter Through the Narrow Gate 7:15-23 A Tree and Its Fruit 7:24-29 The House Built on the Rock 8:1-4 Jesus Cleanses a Leper 8:5-13 The Faith of the Centurion 8:14-15 Jesus Heals Peter's Mother-in-Law 8:16-17 Jesus Heals Many 8:18-22 The Cost of Following Jesus 8:23-27 Jesus Calms the Storm 8:28-34 The Gadarene Demoniacs 9:1-8 Jesus Heals a Paralytic 9:9-13 Jesus Calls Matthew the Tax Collector 9:14-17 A Question About Fasting 9:18-26 Jairus's Daughter and the Bleeding Woman 9:27-31 Jesus Heals Two Blind Men 9:32-34 Jesus Heals a Man Unable to Speak 9:35-38 The Workers Are Few 10:1-15 Jesus Sends Out the Twelve Apostles 10:16-25 Coming Persecutions Foretold 10:26-33 Fear Him Who Is to Be Feared 10:34-39 Not Peace, but a Sword 10:40-42 Rewards for Receiving a Disciple 11:2-19 The Question from John the Baptist 11:20-24 Woe to the Unrepentant Cities 11:25-30 Come to Me, All Who Labor 12:1-8 Jesus Passes Through the Grainfields on the Sabbath 12:9-14 Jesus Heals a Man with a Withered Hand on the Sabbath 12:15-21 God's Chosen Servant 12:22-32 Jesus and Beelzebul 12:33-37 A Tree and Its Fruit 12:38-42 The Sign of Jonah 12:43-45 The Return of an Unclean Spirit 12:46-50 Who Are Jesus' True Family 13:1-9 The Parable of the Sower 13:10-17 The Purpose of the Parables 13:18-23 The Parable of the Sower Explained 13:24-30 The Parable of the Weeds 13:31-32 The Parable of the Mustard Seed 13:33-35 The Parable of the Leaven 13:36-43 The Parable of the Weeds Explained 13:44-46 The Parables of the Hidden Treasure and the Pearl 13:47-52 The Parable of the Net 13:53-58 Jesus Rejected at Nazareth 14:1-12 The Death of John the Baptist 14:13-21 Jesus Feeds the Five Thousand 14:22-33 Jesus Walks on the Water 14:34-36 Jesus Heals the Sick in Gennesaret 15:1-20 What Defiles a Person 15:21-28 The Faith of the Canaanite Woman 15:29-31 Jesus Heals Many 15:32-39 Jesus Feeds the Four Thousand 16:1-4 The Pharisees Demand a Sign 16:5-12 Beware of the Leaven of the Pharisees 16:13-20 Peter's Confession of Faith 16:21-28 Jesus Foretells His Death and Resurrection 17:1-9 The Transfiguration 17:10-13 The Question About Elijah 17:14-21 Jesus Heals a Boy with a Demon 17:22-23 Jesus Again Foretells His Death and Resurrection 17:24-27 Jesus Pays the Temple Tax 18:1-5 The Greatest in the Kingdom of Heaven 18:6-9 Warning Against Causing Others to Stumble 18:10-14 The Parable of the Lost Sheep 18:15-20 If Your Brother Sins Against You 18:21-35 The Parable of the Unforgiving Servant 19:1-12 Teaching on Divorce 19:13-15 Jesus Blesses the Little Children 19:16-30 The Rich Young Man 20:1-16 The Parable of the Workers in the Vineyard 20:17-19 Jesus Foretells His Death and Resurrection a Third Time 20:20-28 The Request of James and John's Mother 20:29-34 Jesus Heals the Blind Men at Jericho 21:1-11 The Triumphal Entry into Jerusalem 21:12-17 Jesus Cleanses the Temple 21:18-22 Jesus Curses the Barren Fig Tree 21:23-27 By What Authority Do You Do These Things 21:28-32 The Parable of the Two Sons 21:33-46 The Parable of the Tenants 22:1-14 The Parable of the Wedding Feast 22:15-22 Paying Taxes to Caesar 22:23-33 The Question About the Resurrection 22:34-40 The Greatest Commandment 22:41-46 Whose Son Is the Christ 23:1-12 Jesus Denounces the Scribes and Pharisees 23:13-36 Woe to the Hypocrites 23:37-39 Lament over Jerusalem 24:1-44 The Olivet Discourse (Signs of the End) 24:45-51 The Faithful and Wicked Servants 25:1-13 The Parable of the Ten Virgins 25:14-30 The Parable of the Talents 25:31-46 The Judgment of the Sheep and the Goats 26:1-5 The Plot to Kill Jesus 26:6-13 Mary Anoints Jesus with Perfume 26:14-16 Judas Agrees to Betray Jesus 26:17-19 Preparing the Passover Meal 26:20-25 Jesus Foretells His Betrayal 26:26-30 The Institution of the Lord's Supper 26:31-35 Jesus Foretells Peter's Denial 26:36-46 Jesus Prays in Gethsemane 26:47-56 The Betrayal and Arrest of Jesus 26:57-68 Jesus Before the Sanhedrin 26:69-75 Peter Denies Jesus 27:1-2 Jesus Delivered to Pilate 27:3-10 Judas Hangs Himself 27:11-26 Jesus Before Pilate 27:27-31 The Soldiers Mock Jesus 27:32-44 The Crucifixion 27:45-56 The Death of Jesus 27:57-61 The Burial of Jesus 27:62-66 The Guard at the Tomb 28:1-10 The Resurrection 28:11-15 The Report of the Guards 28:16-20 The Great Commission
26:1
待機

En het is geschied, als Jezus al deze woorden geeindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zeide:

26:2
待機

Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.

26:3
待機

Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen des volks, in de zaal des hogepriesters, die genaamd was Kajafas;

26:4
待機

En zij beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden.

26:5
待機

Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.

26:6
待機

Als nu Jezus te Bethanie was, ten huize van Simon, den melaatse,

26:7
待機

Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.

26:8
待機

En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?

26:9
待機

Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden.

26:10
待機

Maar Jezus, zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.

26:11
待機

Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

26:12
待機

Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.

26:13
待機

Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.

26:14
待機

Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters,

26:15
待機

En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.

26:16
待機

En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

26:17
待機

En op den eersten dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?

26:18
待機

En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.

26:19
待機

En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.

26:20
待機

En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.

26:21
待機

En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, Mij zal verraden.

26:22
待機

En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?

26:23
待機

En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.

26:24
待機

De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.

26:25
待機

En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.

26:26
待機

En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.

26:27
待機

En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;

26:28
待機

Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

26:29
待機

En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.

26:30
待機

En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

26:31
待機

Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geergerd worden in dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

26:32
待機

Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

26:33
待機

Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.

26:34
待機

Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

26:35
待機

Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

26:36
待機

Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.

26:37
待機

En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.

26:38
待機

Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.

26:39
待機

En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

26:40
待機

En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken?

26:41
待機

Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

26:42
待機

Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!

26:43
待機

En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.

26:44
待機

En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.

26:45
待機

Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.

26:46
待機

Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

26:47
待機

En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.

26:48
待機

En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.

26:49
待機

En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.

26:50
待機

Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.

26:51
待機

En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.

26:52
待機

Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.

26:53
待機

Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?

26:54
待機

Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?

26:55
待機

Terzelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;

26:56
待機

Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.

26:57
待機

Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.

26:58
待機

En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.

26:59
待機

En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.

26:60
待機

En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch niet. (26:61) Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen,

26:61
待機

en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.

26:62
待機

En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

26:63
待機

Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?

26:64
待機

Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.

26:65
待機

Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord.

26:66
待機

Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.

26:67
待機

Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. (26:68) En anderen gaven Hem kinnebakslagen,

26:68
待機

zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?

26:69
待機

En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, den Galileer.

26:70
待機

Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.

26:71
待機

En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazarener.

26:72
待機

En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet.

26:73
待機

En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.

26:74
待機

Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.

26:75
待機

En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.